- Zijn bliksem, zijn donder, Martin van Amerongen over de Mattheus-Passie van Johann Sebastian
Bach.
home
-
- Martin van Amerongen, de onlangs overleden publicist en hoofdredacteur
van De Groene Amsterdammer, schreef een zeer lezenswaardig boekje over de Mattheus-Passion, Zijn bliksem, zijn
donder / Over de Mattheus-Passie van Johann Sebastian Bach. Dat het
boekje door een leek op muziekgebied is geschreven wordt op de eerste
bladzijde pijnlijk duidelijk als van Amerongen schrijft: '...- ik weet het
nog precies ... De althobo verhief zijn stem, als inleiding tot het
openingskoor. Kommt ihr Töchter, helft mir
klagen...' Van Amerongen weet
het helemaal niet precies want in het openingskoor van de Mattheus-Passie
speelt geen althobo. Zoals elke geoefende luisteraar kan horen
spelen er gewone hobo's en wordt bovendien hun nasale klank verzacht door de
unisono meespelende dwarsfluiten.
- Na deze weinig
bemoedigende start blijkt het boekje informatief, verrassend en mede door de badinerende stijl die we van
v.A. kennen
prettig om te lezen. Hoewel sommigen zullen afhaken als de schrijver het choquer le
bourgeois als favoriete stijlfiguur toepast.
- Van Amerongen behandelt naar aanleiding van het fenomeen Mattheus-Passion vele vragen van cultuurhistorische aard. Zo vraagt hij zich af
hoe het komt dat nergens ter wereld 'de Mattheus-Passie zo populair is als
op die paar vierkante kilometers tussen Roodeschool en Vlissingen.' Hij
bespreekt ook het geheim van de Mattheus in Naarden als 'een society-gebeurtenis, gedragen door gepensioneerde politici, aangetrouwde
pseudo-prinsen en millionenschwere industrielen.' 'Alles wordt immers gesponsord tegenwoordig, tot de
apenkooi van Artis toe. Dus waarom zou de kruisdood van Christus, in de
bekwame reconstructie van Johann Sebastian Bach, níet
door handel en industrie worden ondersteund?'
- We komen natuurlijk 'C.F.Henrici, zich noemende
Picander, opperpostbode te Leipzig en Bachs huislibrettist' tegen. Ook Bachs parodie-praktijk
wordt besproken. Het is
prettig dat van Amerongens Bach-bewondering, waar geen twijfel over kan
bestaan, zijn dialectisch vermogen niet heeft aantast. Scherpe
overgangen en een licht spottende ondertoon kenmerken het
boekje. Zo vindt hij Buss
und Reu, knirscht das Sündenherz entzwei
'van
een hemeltergende tekstuele kolder, zodat het als een godswonder moet
worden beschouwd dat niet een hele schare luisteraars, gelovigen en
ongelovigen, zich op Goede vrijdag schaterlachend op de knieën slaat.´ Ook onze huidige verbazing dat Bach, ´die ouwe pruikenkop´, door zijn
tijdgenoten niet unaniem als de grootste van allen maar als een weliswaar
zeer kundige maar ook strenge en ouderwetse componist werd beschouwd komt in een
hoofdstuk aan de orde.
- Natuurlijk bespreekt van Amerongen de grote daad die Mendelssohn
stelde toen hij in 1829 na 100 jaar de Mattheus-Passie uit de vergetelheid
haalde. 'Het christendom, inclusief zijn belangrijkste woordvoerder, heeft
werkelijk heel wat aan die geschmadde Berlijnse jodenjongen te danken
gehad die Bach zijn plaats in de muziekgeschiedenis teruggaf.' Het
hoofdstuk lijkt afkomstig uit een historiserende roman als Van Amerongen de
conversaties tussen Mendelssohn en zijn vriend Devrient beschrijft alsof hij er zelf
bij is geweest. Ook Zelter, Heine en Hegel zijn lijfelijk aanwezig met leuke
anekdotes.
- De ongelovige van Amerongen (die naar ik aanneem de schaarse
keren dat hij in de kerkbanken zat dat niet deed om een dienst bij te
wonen maar om te luisteren naar de Mattheus-Passie) komt na een Nietzsche-citaat
over het Christendom (een grote vloek, een onsterfelijke schandvlek
voor de mensheid) tot de conclusie dat het christendom 'een zegen voor de
cultuur is geweest'. Hij noemt de bijbel 'een slagader van de
cultuur' zolang de godsdienst het maatschappelijk leven nog domineerde.
De schrijver raakt op een zijspoor als hij vaststelt dat 'toen zowel God
als Nietzsche dood was' de creatieve sector in de twintigste eeuw
vrijwel exclusief in de handen der ongelovigen is geraakt en dat de
'Christelijke kunst verschraalde tot kerkelijke kunst: gebrandschilderde
kerkportalen, neerslachtige bundeltjes Veluwepoëzie,
zuurtjeskleurige portretten van de H. Madonna en alle andere varianten van
reli-kitsch.' Vervolgens zegt de schrijver weinig vleiende dingen over
gelovigen, hij fulmineert over 'de culturele achterstand van de protestanten' en constateert 'Calvinisten kunnen
zich niet vermaken.'
- In een volgend hoofdstuk raast van A. met zijn vriend W., waarin wij meteen
Winfried Maczewski herkennen, 'met een gemiddelde van honderdtachtig
kilometer per uur richting Leipzig' om samen met hem de Thomaskirche te
bezoeken. Van Amerongen verzucht 'waarom zijn Bachs vocale werken qua tekst
altijd zo buitengewoon neerslachtig?' Hij noemt dan onder meer Aus tiefer Not schrei ich zu dir. W.
antwoordt dat het schuldbesef nu eenmaal het centrale kenmerk van de
reformatie is. Ik denk dat van Amerongen hier een vergissing maakt doordat
hij als ongelovige een wezenlijk element van de teksten over het hoofd ziet.
Want hoewel in de Mattheus-Passie schuld en zonde centrale begrippen zijn
(de zondeval is een ontegenzeggelijk het vertrekpunt) is natuurlijk de essentie van het Christelijk
geloof dat de zondige mens door Christus' lijden wordt gered en dat is bij Bach in de Mattheus-Passie uiteindelijk een vreugdevolle ervaring.
Dat alles wordt o.a. geïllustreerd in de aria voor tenor, hobo en continuo
Ich
will bei meinem Jesu wachen (Nr.20). Daarin is Meinen Tod büßet seine Seelennot
waarschijnlijk zo'n tekst die van Amerongen buitengewoon neerslachtig vindt. Maar wat
daar meteen op volgt: sein Trauern machet mich voll Freuden
illustreert van
Amerongens ongelijk.
Hij had ook het motet Jesu meine Freude kunnen noemen als bewijs van het
blijde geloof van Bach.
- Nu volgt een intermezzo waarin van Amerongen weer ver van zijn onderwerp
afraakt. De polemische vrijdenker die zojuist nog het christendom 'een
zegen voor de cultuur' noemde schroomt niet om een deel van Das Elend des
Christentums van de laatste 400 jaar in z'n betoog te betrekken. Luthers verraad aan de boeren in de Boerenoorlog (1524-1525),
zijn antisemitisme en de grote betekenis van het lutheranisme bij het
ontstaan van de Pruisische eenheidsstaat Duitsland onder Wilhelm II, het Derde Rijk van
Adolf Hitler en de DDR worden besproken. Dat mondt uit in een lezenswaardig
anekdotisch overzicht van opportunistische nazistische en communistische
cultuurpolitiek en de ongemakkelijke omgang in die dictaturen met Luther en
Bach.
Het anekdotische blijft een kenmerk van het boek. Korte hoofdstukken
over de vraag of aan de Mattheus of de Johannes de voorkeur moet worden
gegeven, een korte
reconstructie van het mogelijk ontstaan van de Ziezo, die hangt weer -mythe
die Jo Vincent achtervolgde, de voors en tegens van een Nederlandstalige
uitvoering (Nee, liever honderdmaal Picander dan de licht-muffige
polderpoëzie van Engelman).
Interessant is de korte analyse van de rol van Judas Iskatiot. Niet vanwege
de interessante exegeses van Albert Schweizer en de daarmee contrasterende
verklaring van de Joodse bijbelvorser J.Klausner , maar vanwege de
verbijsterende citaten die de actieve rol van Luther bij het ontstaan van
het agressieve antisemitisme aantonen.
Friedrich Nietzsche schreef nadat hij drie keer in een week de Mattheus had
beluisterd: Wie het Christendom volledig heeft
verleerd, beluistert hier regelrecht het klankgeworden evangelie. Moet je om
Bach te begrijpen christelijk moet zijn? De filosoof-theoloog W.J.Ouweneel,
die overigens een aardig boekje schreef over de Mattheus, vindt van wel. Van Amerongen
vindt dat even kortzichtig 'als de verdedigers van de malle theorie dat Shylock
alleen door een jood kan worden gespeeld en Otello alleen door een neger kan
worden gezongen.' Hij citeert met instemming Alfred Dürr's
uitspraak dat Bachs instelling die was van een vakman 'doordesemd van
het lutheraanse plichtsbesef dat voorschreef dat een mens naar beste
vermogen zijn beroep dient uit te oefenen.' De schrijver heeft zich echt
ingeleefd:
'Diende er een cantate te worden geschreven
ter opluistering van de zestiende zondag na Trinitatis? Bach stuurde zijn
echtgenote op woensdagavond met een liefdevol tikje op haar achterwerk naar
bed en op zondagmorgen lag de kersverse 'Wer weiss, wie nahe mir mein
Ende' op de lessenaar.'
Zijn bliksem, zijn donder / Over de Mattheus-Passie van Johann Sebastian
Bach.
ISBN 90 263 1418 3 Ambo/Baarn