Bartók, Muziek voor snaarinstrumenten, slagwerk en celesta (1936).                                                                                     © 2012 Daan Admiraal
 
Dit artikel was de basis voor een beknoptere programmatoelichting voor 2 jubileumconcerten van het VU-orkest op zaterdag 21 en maandag 23 januari 2012
in de Oosterpoort in Groningen en het Concertgebouw in Amsterdam.
 
Wir konnten damals noch nicht wissen, daß uns ein wahres Meisterwerk geschenkt würde. Paul Sacher.
 
Bartók schreef zijn Muziek voor snaarinstrumenten, slagwerk en celesta (hierna genoemd: 'Muziek') in de twee zomermaanden van 1936 in opdracht van Paul Sacher ter gelegenheid van het 10-jarig bestaan van zijn Basler Kammerorchester (1936). Bartók zou drie jaar later voor Sacher nog het veel lichtvoetiger Divertimento voor strijkers (1939) schrijven.
 
De Zwitserse dirigent Paul Sacher (1906-1999) richtte in 1926 het Basler Kammerorchester op. Door zijn huwelijk enige jaren later met de erfgename van het familiefortuin van het farmaceutisch concern Hoffmann-La Roche werd hij een van de rijkste mannen ter wereld. Hij wendde die financiële middelen aan om bevriende componisten compositieopdrachten te geven en die werken dan zelf uit te voeren met zijn Basler Kammerorchester. Hij werd daardoor zonder meer de meest vooraanstaande muziekmecenas van de 20e eeuw. De lijst van componisten die samen meer dan 200 werken voor hem schreven is indrukwekkend: Stravinsky, Webern, Honegger, Strauss, Martin, Hindemith, Britten, Lutoslawski, Berio, Carter, Boulez, Dutilleux, Halffter, Henze, Holliger en Rihm.
 
                                                                               
                                                                                 Paul Sacher als dirigent.
 
De 'Muziek' is geschreven voor 2 strijkorkesten die symmetrisch in een halve cirkel zijn opgesteld met de 'slagwerkgroep' in het midden (piano, harp, celesta, xylofoon, kleine en grote trom, bekkens, pauken):
                                                                            Contrabas-1  Contrabas-2
                                                        Cello-1             Pauken Grote trom            Cello-2
                                               Altviool-1                 Kleine trom Bekkens                 Altviool-2
                                          Viool-2                          Celesta     Xylofoon                      Viool-4
                                          Viool-1                              Piano       Harp                          Viool-3
 
Bartók heeft zich door deze unieke combinatie van instrumenten laten inspireren om een grote verscheidenheid aan ongehoorde nieuwe klanken te realiseren. hij gebruikt een grote hoeveelheid bijzondere articulaties. Zo gebruiken de strijkers nieuwe technieken van pizzicato (aan de snaren plukken), zoals pizzicato met de vingernagel en een pizzicato-variant waarbij de snaar op de toets klettert: sindsdien Bartók-pizzicato genoemd. Strijkers en piano worden in vooral in deel 2 en 4 vaak gebruikt als slagwerk. Ook het ruimtelijk effect van de twee tegenover elkaar opgestelde strijkersgroepen wordt optimaal uitgebuit met dramatisch effect. 
 
In de composities van Bartók worden vaak heterogene stijlelementen aangetroffen: 1. de antiromantische stijl die onder andere wordt gekenmerkt door de sterk overheersende rol van de ritmiek; 2. een fantastisch-coloristische stijl met als resultaat ongehoorde nieuwe magische klanken -  men spreekt wel van nachtmuziek; 3. de folkloristische stijl waarin het materiaal wordt ontleend aan de volksmuziek. Dat folklorisme kent vele gradaties: van een volkslied dat letterlijk wordt geciteerd tot compleet nieuw muzikaal materiaal waarin slechts omgevormde ritmische of melodische elementen worden gebruikt ontleend aan de volksmuziek. Alle deze drie stijlelementen zijn in de 'Muziek' te beluisteren.
 
De 'Muziek' heeft 4 delen: langzaam-snel-langzaam-snel. Het lijkt wel of Bartók niet uit was op de eenheid in het geheel maar op de grootst mogelijke afwisseling tussen de delen. Ieder deel is totaal anders.
 
Deel 1.
Het eerste deel heeft een fugavorm die uniek is in de muziekgeschiedenis. De grote vorm is eenvoudig te beschrijven. Vanuit eenstemmigheid en pianissimo van die ene toon a van de altviolen dijt het stuk uit tot een veelstemmige fortissimo climax om daarna weer in te krimpen. Via een betoverende nachtmuziek met guirlandes in de celesta keert de muziek terug naar het pianissimo en de eenstemmigheid van die ene a.
Het sterk chromatische fuga-thema heeft de omvang van een kwint en bevat alle chromatische tonen:

                        

Anders gezegd: het thema vult de totale 'ruimte' van de kwint op met alle chromatische tonen, men spreekt dan van panchromatiek:   

                                            

Elke nieuwe fuga-inzet (1-7) is een kwint verwijderd van de vorige, beurtelings stijgend (a-e-b-fis) en dalend (a-d-g-c):
 
                                                        6.fis (violen-1,2)
                                            4.b (violen-2)
                                2.e (violen-3,4)
                        1.a (altviolen)
                                      3.d (celli)
                                                  5.g (bassen)    
                                                              7.c (celli,bassen)
                                           
Zo wordt procesmatig en met een rituele strengheid de hele 'ruimte' van vele octaven chromatisch opgevuld. Omdat alle strijkers pianissimo spelen en con sordino, met demper ontstaat er een ware microcosmos van geheimzinnige stemmen.
Het slagwerk treedt in dit deel steeds op als 'grenswachter'. Het markeert alle belangrijke overgangen in de vorm. Als de strijkers bijvoorbeeld hun sordino afzetten wordt die betoverende verandering van klank begeleid door een zachte paukenroffel. En even later markeren een roffel op de 2 bekkens en een paukenroffel het crescendo naar de climax die door 1 grote trom klap extra kracht krijgt. Na de climax volgt de sterk ingekorte reprise met vele canons en daarna de al genoemde betoverende celesta-passage. De verstilde slotmaten komen uit een bovenmenselijke wereld: mineralen, bergkristal.
 
Deel 2.
Het tweede deel is een scherzo in een grote A1-B-A2 vorm maar met een kaleidoskopische verscheidenheid aan thema's en motieven. De muziek heeft een enorm motorisch vitalisme. As U er in slaagt de 5 onderstaande thema's te traceren zult U ook de contouren van de A1-B-A2 -vorm luisterend kunnen herkennen.
Het panchromatische eerste thema in C (in C) wordt ingeleid door grappige pizzicato-glissando noten:
 
 
Dan meldt de piano zich met een voorstel aan het orkest ("zullen we dit weer gaan doen?"), een motief ontleend aan het eerste thema:
 
maar zijn voorstel wordt niet beantwoord - sinds Beethoven een gecalculeerd effect. Zijn te vroege binnenkomst is een echte foreshadow. Na een speelse episode kondigt de paukenist met 2 harde fortissimo klappen het eigenlijke tweede thema aan, in G:
Het wordt meteen gevolgd door een dansend derde thema in Fis:
 
Nu volgt een zeer geagiteerd gedeelte waarin korte motieven in canonvorm achter elkaar aan jagen. En pas dan mag de pianist zijn idee helemaal uitspelen. Het eindigt met een speelse reeks van 8 kwarten (fis-cis=des-as-es-bes-f-c-g):
 
 
 
Deze solo markeert het einde van de expositie en de naderende doorwerking. Maar eerst volgt een bizarre episode met glissandi in strijkers waar de celesta zich bij voegt. Vier stralende G-groot accoorden sluiten dan de expositie A1 af.
Een korte paukensolo markeert de overgang naar het B-deel, de doorwerking. Een constante vormen de geplukte ostinato noten van strijkers-II en harp. Improvisatorisch klinken de piano en strijkorkest-I en later de xylofoon met bijtende ritmes:
                      
De strijkers uit orkest-I verdubbelen bovenstaande noten met Bartók-pizzicato.
Een vriendelijke episode met een simpel volksdansmelodietje in de aanstekelijke oneven maatsoort 4/8+5/8 neemt de spanning weg:
 
                   
 
Als de strijkers weer arco gaan spelen, met de strijkstok, begint de overgang met veel maatwisselingen (te beginnen met 2/4+3/8) naar de reprise (A2). Vooral het geagiteerde ritmische spel van lage strijkers con sordino met pauken is uitermate spannend.
 
De reprise (A2) begint met het unisono gespeelde hoofdthema in C afgewisseld met pauken-solo.
Alles verloopt in de reprise als A1 maar anders en behoeft geen toelichting.
 
Deel 3.
Het derde deel is het meest modern en het meest abstract.
Het begint met een introductie: van de xylofoon: 'ritmische variaties op 1 toon'. De pauken antwoorden met geheimzinnige glissandi.
Dan volgt sectie-A met een door Bartók zelf geconstrueerde melodie die typische Hongaarse volksmuziek eigenschappen heeft:
 
         
De xylofoon en de paukenglissandi melden zich weer. Zij kondigen een lyrische vioolsolo met celesta sectie-B aan: 
Ook sectie-C wordt door xylofoon en pauken glissandi aangekondigd. Zachte strijkers tremolo en geruiseffecten in celesta, harp en piano creëren een geheimzinnige nachtmuziek. Dit is de fantastisch-coloristische Bartók.
Zonder aankondiging volgt sectie-D, herkenbaar aan de nasale strijkersklank. Ze spelen ponticello, bij de kam aangestreken. Een hoekig onverzettelijk spel met 5 tonen in vijfdelige maat.
De melodie van sectie-B wordt herhaald maar met de geruiseffecten van sectie C. En tot slot weer de melodie in Hongaarse stijl met pauken glissandi. De xylofoon met zijn 'ritmische variaties op 1 toon' speelt het betoverend spannende einde.
 
Deel 4.
Het laatste deel in rondovorm is vrolijk van karakter en heeft een enorme motorische drive. Ik beperk me tot drie belangrijke thema's.
Het eerste thema is een uitgelaten dansmelodietje:
 
                
Het wordt begeleid door het in de Balkan en Turkije veel gebruikte aksak-ritme: 
 
 
De solo op de pauken (het paukenritme RLRR-LRLL noemt men een paradiddle) kondigt het tweede thema aan:
 
               
Als choreograaf zou ik hier de mannen met hun voeten op de vloer laten stampen.
Een derde thema is folk van karakter in de Hongaarse verbunkos-stijl:
 
 
Hierop volgt na een korte dialoog tussen piano-harp met de strijkers een episode die lijdt tot een ware climax van razernij. Abrupt volgt dan een van de onvergetelijke hoogtepunten van de 'Muziek', het chromatische hoofdthema van het eerste deel (muziekvoorbeeld 1) met vergrote intervallen:

Na een korte cello-solo krijgen een aantal thema's nog een laatste afscheidsgroet waarop het stuk eindigt met een pathetische vertraging gevolgd door een kort en krachtig slot.