Ton de Leeuw, Cinq hymnes
© Daan Admiraal, 2006
Ton de Leeuw schreef zijn Cinq Hymnes voor
gemengd koor, 2 piano’s en slagwerk op teksten van de 15e eeuwse
Indiase mysticus Kabir in 1987/88. Het was een opdrachtcompositie ter
gelegenheid van het 25 jarige bestaan van de Kurt Thomas Stichting, die
ieder jaar de Kurt Thomas Cursus organiseert, een vermaarde cursus
koordirectie.
Bij de combinatie van 2 piano’s en slagwerk
moeten wij meteen denken aan de Sonate voor 2 piano’s en slagwerk van Béla
Bartók. Dat werk was baanbrekend bij het ontstaan van het 20e
eeuwse denken over de piano als slagwerkinstrument.
Er is nauwelijks literatuur voor koor, 2
piano’s en slagwerk. De meest bekende titel is een versie van de Carmina
Burana van Carl Orff voor deze combinatie, in feite een met slagwerk en een
2e piano uitgebreid klavieruittreksel van de orkestversie. De aanwezigheid
van 2 piano’s en 2 slagwerkers in de Symphonie de Psaumes was voor ons een
welkome praktische aanleiding om ook Ton de Leeuw te programmeren.
De componist geeft in de partituur aan dat
de uitvoerenden veel vrijheden hebben om de Cinq Hymnes onvolledig uit te
voeren: The five pieces may also be performed separately, or in
various combinations, such as: II and IV (a capella), or I, III and V (with
instruments).
Maar de beste combinatie is natuurlijk de
volledige cyclus, al was het alleen maar om de mooie symmetrische
totaalstructuur:
I. koor en 2 piano’s
II koor a capella
III. koor, 2 piano’s en slagwerk
IV koor a capella
V. koor, 2 piano’s en slagwerk
Het vierstemmige a capella-deel II en het
zesstemmige a capella-deel IV en het gebruik van slagwerk in de delen III en
V geeft de cyclus een in rijkdom toenemende samenklank.
Er zijn ook andere redenen waarom er
duidelijk sprake is van een cyclus van op elkaar afgestemde delen. Zo wordt
de melodie van het koor waar deel I mee wordt besloten (fis-e-cis-c-b-a-fis-e)
aan het einde van deel V als een ostinato herhaald door piano-1.
Een enkel woord over het slagwerk
instrumentarium. Van de twee slagwerkers bespeelt de eerste (van de zaal uit
gezien links van de piano’s) alleen melodisch slagwerk:
in deel III klokkenspel en
cymbales antiques (antieke bekkens, kleine
ronde metalen schijven met een vaste toonhoogte die een zeer delicaat hoog
klokgeluid kunnen produceren);
en in deel V marimba (het grotere
familielid van de xylofoon met een warmer, sensueler geluid).
De tweede slagwerker (rechts van de
piano’s) bespeelt 2 triangels, twee bekkens, tam-tam en in deel V tevens
tom-tom (een hoge trommel die op een bepaalde toonhoogte kan worden
afgestemd).
Het gebruik van de instrumenten in dit
kleine ensemble van 4 spelers is bijzonder. Het slagwerk voegt niet
incidenteel speciale effecten toe zoals in veel romantische en vroeg-moderne
orkestmuziek. De piano’s worden vaak (net zoals in de Sonate van Bartók) als
slagwerk gebruikt. Ze vormen samen met de slagwerkinstrumenten een
percussiegroep die soms doet denken aan de Indonesische gamelan. De
individuele stemmen van het ensemble zijn sterk met elkaar en soms ook met
de koorstemmen verweven. Soms speelt een instrumentale stem een gevarieerde
omspeling van een andere instrumentale of vocale lijn, een speciale vorm van
heterofonie. Het hoge slagwerk (triangels en cymbales antiques) verrijkt
deel III met magische ijle geluidjes. In het lagere klankspectrum voegen de
twee bekkens van verschillende diameter en de tam-tam die afwisselend worden
bespeeld aan het totale ensemble prachtige diepe resonanties toe. Doordat de
patronen onderling verschuiven ontstaan steeds andere timbrecombinaties
zoals Olivier Messiaen dat ook zo graag doet.
1. O mon coeur
Koor en 2 piano’s. De structuur van dit
deel is eenvoudig te volgen door de strofische opbouw:
TB: O mon
coeur
SA: Tu as
dormi
SATB: O mon coeur
Een bijzonder moment is de slotclimax, waar
koorklank lang doorgonst in de vrij trillende snaren van de 2 piano’s.
2. Regarde
Vierstemmig koor a capella. Door het
tekstloze begin krijgt het moment dat de zangers tekst gaan zingen veel
betekenis: O frère, regarde. Omdat
de teksten door elkaar worden gezongen is het meestal onmogelijk ze te
volgen. Ton de Leeuw hanteert daar een Strawinsky-principe: sounds, no
meanings.
3. Le son des cloches invisibles
Koor, slagwerk en 2 piano’s. Het deel
begint geheimzinnig met magische klanken van cymbales antiques, en de al
besproken timbrereeksen van bekkens en tam-tam. Daarnaast een andere
timbrereeks van 6 klokakkoorden in de eerste piano,
Le son des cloches invisibles. Het
aandeel van het koor is al even magisch: het fluistert en zingt even later
bouche fermée.
De tekst doet ons denken aan het
Pythagoreïsche concept van muziek als afspiegeling van de harmonie der
sferen: le choeur musical remplit les cieux
– een koor van kosmische stemmen vult de hemelruimte.
4. Silence
Voor zesstemmig koor a capella: sopraan,
mezzo, alt, tenor, bariton, bas. Het eerste gedeelte is een inleiding met
als enige tekst Kabir dit. Muzikaal
gesproken ontwikkelt de muziek zich in een ritmisch vrije polyfonie van
eenstemmige sopranen tot vierstemmig koor: S, SM, SMA, SMAT.
Dan komt met de inzet van de lage
mannenstemmen het tweede gedeelte op de tekst Toutes choses sont
créées par Dieu. De tekst wordt homofoon
gezongen (door alle zangers in hetzelfde ritme en synchroon). De muziek
maakt een langzame gang van hoog en sterk naar laag en zacht. Alle stemmen
doorlopen daarbij dezelfde dalende reeks noten maar de koorgroepen
veranderen op verschillende momenten van toonhoogte. Daardoor ontstaat een
fascinerende reeks akkoorden met steeds wisselende en soms sterk
dissonerende timbres die door de aangehouden fis van de bassen alle gehoord
worden in een tonale referentie. In de verstilde slotmaten bevestigt het
consonante slotakkoord de tonaliteit fis op de tekst en silence.
Dat is na alle dissonantie een bevrijdend moment, een moment van
‘verlichting’.
5. La source de toute musique
Het slotdeel van de cyclus valt uiteen in
twee delen, I-II.
I. Het eerste deel wordt gekenmerkt door
een bezwerende herhaling van monotone tom-tom noten. Er zijn 3 episodes, de
eerste is voor lage bassen, de tweede voor tenoren en de derde voor de
vrouwenstemmen:
B: O ami,
le corps est Sa lyre
T: Il est
la Source de toute musique, écoute
SA: J'
entends la mélodie de Sa flûte
II. Het begin van het tweede gedeelte wordt
gekarakteriseerd door de piano’s en de marimba die tot het einde de kleur
bepalen. Er zijn drie strofes voor het nu vierstemmige gemengde koor:
1: Des
chants d' amour emplissent de musique les jours et les nuits
2: La vie
et la mort dansent au rythme de Sa danse. Les monts et la terre dansent au
rythme de Sa danse.
3: Au
milieu d'éclats de rire et de sanglots l' humanité danse.
Het is dansmuziek zoals de tekst aangeeft.
Dans en muziek zijn hier nog één en niet verworden tot gescheiden
disciplines zoals later in het westen. Het is een dans van het leven, maar
ook een dans van de dood: La vie et la mort dansent.
Ook de dode natuur danst:
Les monts et la terre dansent.
Uit de slotstrofe van de tekst spreekt
gevoel voor tragische ironie. De absurditeit van het menselijke bestaan ligt
besloten in de confrontatie van schaterlachen en snikken.
Au milieu d'éclats de rire et de sanglots l' humanité danse.