Carlos Michans, Quid hoc dementiae est, de teksten.

De tekst van de compositie Quid hoc dementiae est van Carlos Michans voor koor en orkest uit 2005, een onvoltooid jeugdgedicht van Erasmus uit 1490/91 waarin Christus de dwaze mensheid verwijt dat ze hem niet navolgt maar valse waarden nastreeft die bovendien kwaad zijn. 

Qum mihi sint uni si quae bona terra polusque
habet, quid hoc dementiae est
ut malis, homo, falsa sequi bona, sed mala vera,
me rarus aut nemo petat?
Forma capit multos:
me nil formosius usquam est,
formam hanc amat nemo tamen.
Sum clarissimus et generosus utroque parente:
servire nobis qur pudet?
Dives item et facilis dare multa et magna rogatus,
rogari amo: nemo rogat.
Sumque vocorque patris summi sapiencia:
nemo me consulit mortalium;
preceptor: mihi nemo cupit parere magistro;
eternitas: nec expetor.
Sum via qua sola celi itur ad astra,
tamen me terit viator infrequens.
Auctor qum ego sim vitae unicus ipsaque vita,
qur sordeo mortalibus?
Veraci credit nemo, fidit mihi nemo,
qum sit nihil fidelius.
Sum placabilis ac misereri pronus, et ad nos
vix confugit quisquam miser.
Denique iustus ego vindexque severus iniqui:
nostri metus vix ullum habet.
Proinde, mei desertor homo,
socordia si te adducet in mortem tua,
praeteritum nihil est.
In me ne reiice culpam,
malorum es ipse auctor tibi.
Als al het mooie op aarde en in de hemel
van mij is, wat voor waanzin is dit, mens,
die in plaats van mij begeren, naar valse
waarden streeft die bovendien kwaad zijn?
Velen houden van het schone;
en hoewel mijn schoonheid boven alle uitsteekt,
wordt ze door geen verkozen.
Ik ben van hoge en meest illustere komaf:
waarom schaamt iedereen zich om mij te dienen?
Ik ben rijk en genereus, ik hou van geven:
niets wordt van mij gevraagd.
Men ziet mij als de wijsheid van de Almachtige:
geen sterveling verlangt naar mijn advies.
Ik ben leraar: niemand volgt mijn leer.
De eeuwigheid ben ik: niemand wil die hebben.
Ik ben de enige weg die naar de hemel en de sterren leidt:
slechts enkele belopen mij.
Ik ben de bron van 't leven, ben het leven zelf:
waarom, dan, walgt iedereen van mij?
In mijn waarheid gelooft niemand, men vertrouwt mij niet,
al ben ik juist de meest betrouwbare.
Ik ben grootmoedig en barmhartig:
niemand die zijn toevlucht tot mij zoekt.
Tot slot ben ik rechtvaardig en genadeloos als rechter;
maar niet velen vrezen mij.
En zo, mens die mij verstoot,
als je dwaasheid de oorzaak van je dood wordt,
dan is al mijn zorg voor niets geweest.
Je zult me echter niets verwijten:
jij en jij alleen bent schepper van je eigen ellende.


If all the finest things in heaven and on earth
are mine, what is this madness, oh mankind,
that instead of craving for me, you pursue
false goods which are true evils?
Many are fond of beauty; and though I'm fair
beyond match, no one desires me.
I have the noblest, most illustrious background:
why are people so ashamed to serve me?
I am rich and very generous;
I love to give, yet no one asks.
I am regarded as the wisdom of the Almighty,
yet no mortal wishes my advice.
I am a teacher: no one wants me for their mentor.
I am eternity: nobody longs for it.
I am the only way to heaven and the stars:
few travellers tread me.
I am the source of life, I'm life itself:
why, then, does everyone despise me?
Nobody believes my truth, nobody trusts me,
although no one is more trustworthy than I.
I am forgiving and compassionate:
yet very few seek refuge in me.
Finally, I am just and punish wrong severely:
yet hardly anybody fears me.
Thus, Man, if you desert me and your
stupidity leads you to your own death,
my toils have been in vain.
Yet you shall put no blame on me:
for you and you alone are the sole forger
of your misery.
_____________________________________________________________________________________
(Erasmus: Contestatio salvatoris ad hominem sua culpa pereuntem, ca. 1490-91. Translations: Carlos Micháns)