Quantz, Gellert-Lieder
De vermaarde fluitist
Johann Joachim Quantz (1697-1773) was verbonden aan het hof van Frederik de
Grote in Berlijn. Hij is vooral bekend gebleven als auteur van een van de
belangrijkste standaardwerken over de uitvoeringspraktijk van 18e eeuwse
muziek, Versuch einer Anweisung, die
Flöte traversière
zu spielen.
Maar hij
componeerde ook veel kamermuziek, waarin de dwarsfluit een belangrijke rol
speelt.
In 1997 verscheen bij
Carus een systematisch overzicht van al zijn werken:
Johann Joachim Quantz :
thematisch-systematisches Werkverzeichnis; (QV) / Horst Augsbach. -
Stuttgart : Carus-Verlag, 1997. ISBN 3-923053-47-9
In deze Qv worden
deze koorwerken genoemd
Het was dan ook
verbazend om te ontdekken dat er van Johann Joachim Quantz [1697-1773] een
bundel composities voor vierstemmig koor en continuo is uitgegeven:
Gellert-Lieder / 22
geistliche Lieder / nach Worten von Chr. F. Gellert /
für vierstimmigen
gemischten Chor / oder Sopran [Tenor] und Generalbaß. /
Herausgegeben und für
den / praktischen Gebrauch eingerichtet von / Raimund Schächer, Edition
Merseburger 385, ©1991.
Na aanschaf van de
partituur blijkt dat hier geen sprake is van een oorspronkelijk koorwerk,
maar van een bewerking voor vierstemmig gemengd koor (SATB) van 22
continuoliederen van Quantz. In het voorwoord, verluchtigd met een facsimile
pagina uit de oorspronkelijke druk (1760) van het lied
Das Glück eines guten Gewissens
geeft de uitgever een
duidelijke verantwoording van zijn arrangement:
Im Druck von 1760 sind
die Melodien im Sopranschlüssel notirt zusammen mit der bezifferten
Baßstimme. In der vorliegenden Ausgabe wurden vom Herausgeber anhand der
Bezifferung Alt- und Tenorstimme ergänzt, so daß die Lieder für
vierstimmigen gemischten Chor ausführbar sind.
Het was daarom beter
geweest als Merseburger de uitgave onder een andere titel had gepubliceerd,
bijvoorbeeld:
Gellert-Lieder / 22
geistliche Lieder / nach Worten von Chr. F. Gellert / original für hohe
Stimme Sopran [Tenor] und Generalbaß /
von Raimund Schächer für
vierstimmigen gemischten Chor bearbeitet und für den praktischen Gebrauch
eingerichtet.
Nu is op zich niets op
tegen om continuoliederen te arrangeren voor koor. In de 18e eeuw was het
omwerken van composities voor een andere bezetting een normale praktijk.
Alleen zijn de vierstemmige zettingen van Raimund Schächer erg fantasieloos.
Harmonisch is er weinig te beleven: alles valt keurig binnen een
voorspelbaar drieklankgemiddelde. Ook komt de ritmiek van de middenstemmen
zelden los van de melodie en de bas, waardoor ook nog eens een monotone
homofonie ontstaat. Bij het doorlezen van deze zettingen onstond bij mij
steeds een groot verlangen: nu even een koraalzetting van Bach.
Christian Fürchtegott
Gellert [1715-1769] publiceerde zijn Geistliche Oden und Lieder in 1757. In
1758 werden ze al op muziek gezet door C.P.E.Bach, voor solozang met
continuo (uitgave Carus). Er zouden veel componisten volgen die muziek
schreven op teksten van Gellert waaronder Mozart, Haydn en Beethoven.
Veel
teksten van
Gellert munten uit in stichtelijke braafheid.
Het Biographisch-Bibliographisches Kirchenlexikon (http://www.bautz.de/bbkl/g/gellert_c_f.shtml)
zegt er dit over:
Seine Lieder sind das
Beste, was jene Zeit der Aufklärung auf dem Gebiet der geistlichen
Dichtkunst aufzuweisen hat, tragen jedoch von dem Charakter des alten
evangelischen Kirchenliedes fast keine Spur mehr an sich, haben aber zur
Erhaltung einfachen Bibelglaubens und schlichter häuslicher Frömmigkeit viel
beigetragen.
Er
zal zeker vandaag de dag een groep mensen te vinden zijn die, behept met
'eenvoudig bijbelgeloof en een simpele huiselijke vroomheid', genoegen
zullen beleven aan het thuis bij het
harmonium zingen van deze stukjes. Maar voor de meeste koren zijn ze
muzikaal te middelmatig.