De getallensymboliek in het werk van J.S.Bach vormt een onderwerp
waar wetenschappers, pseudo-wetenschappers en borreltafelredenaars interessante referaten over
kunnen houden. Overigens is slechts een beperkt gedeelte van het totale
aanbod aan getallensymboliek dat de verzamelde Bach-rekenaars ons aanbieden zo onweerlegbaar dat
daarover geen
discussie mogelijk is. Velen hebben van een groot deel van het oeuvre van J.S.Bach het aantal noten uitgerekend, een monnikenarbeid die groot respect afdwingt.
Van hen moeten in Nederland met name Kees van Houten en Marinus Kasbergen (voortaan: vH&K) worden genoemd. Zij publiceerden:
Bach en
het getal (216 pagina's), De Walburg Pers 1985. Het boek heeft een
ereplaats in mijn bibliotheek bij de afdeling curiosa. Het behandelt een onderwerp
dat appelleert aan een van de boeiendste menselijke eigenschappen, namelijk de
nieuwsgierigheid naar verborgen dingen die alleen door ingewijden
kunnen worden begrepen die beschikken over een geheime code. Omdat het boek de lezer drogeert met schitterende
hersenspinsels maar daarbij laat wegzakken in een moeras van occultisme een korte kritische bespreking.
Nadat vH&K zich eerst aan de eenvoudige feiten hebben gehouden (pagina 9-33) gaan ze
vervolgens over tot het echte werk als de esoterische bespiegelingen beginnen (pagina 34-209). Hun onderzoek staat
van af dat moment grotendeels in het teken van Bach en de Rozenkruizers.
Dit alles niettegenstaande het feit dat in Bach's manuscripten en in zijn
nagelaten bibliotheek, voor zover ons bekend, geen enkele directe aanwijzing
te vinden is, dat hij op de een of andere wijze aan de Broederschap van het
Rozenkruis verbonden zou zijn geweest zoals vH&K zelf toegeven.
Desondanks proberen de schrijvers
aan te tonen dat een in eerste instantie betekenisloos aantal hoeveelheid
noten in bepaalde werken van Bach door middel van rekenmethodes die
afkomstig zijn van de Rozenkruizers kan worden omgevormd tot andere
getallen met een verstrekkende symbolische betekenis. In het meest
verbazingwekkende
gedeelte van deze 'Bach-Rosencreutz-onderzoekingen'
komen vH&K
tot de conclusie dat Bach niet alleen zijn geboortejaar, maar ook zijn eigen sterfjaar, sterker nog,
zijn exacte
sterfdatum (28-7-1750) in een aantal composities heeft verwerkt.
Resumerend, de schrijvers
blijken in hun boek steeds weer uit te gaan van deze 3 stellingen:
Stelling-1. Bach kende geruime tijd (meer dan 25 jaar!) voor zijn dood zijn eigen
exacte sterfdatum.
Stelling-2. Bach heeft bewust bepaalde aantallen noten in zijn
composities gebruikt om daarmee zijn sterfdatum aan te
geven.
Stelling-3. Een deel van de getallensymboliek in de muziek van Bach kan met Rozenkruizers-methoden
worden ontsloten.
Stelling-1 is natuurlijk een van de sensationeelste staaltjes lariekoek
in de
gehele geschiedenis van de pseudo-wetenschap. Nooit kende iemand die een natuurlijke dood stierf al
vele jaren
van tevoren zijn sterfdatum. Alleen ter dood veroordeelden, zelfmoordenaars,
dronken automobilisten en parachutisten met een acuut probleem kunnen daar soms (en dan alleen nog
maar heel
kort van tevoren) vrij nauwkeurige voorspellingen over doen. Wij maken geen uitzondering voor Bach omdat hij
zo'n geniaal componist was of omdat hij veel van zijn werken schreef ter meerdere ere
van God en daarom mogelijk over zijn exacte sterfdatum getipt was door de Heer. Deze Stelling-1 moeten wij
direct verwijzen naar de enige plaats waar hij thuishoort: in de
prullenbak der drogredenen, onwaarheden en foute premissen.
Een ieder die met mij van mening is dat Bach niet beschikte over enige
voorkennis omtrent zijn eigen sterfdatum zal het met me eens zijn dat het
zinloos is om vervolgens toch naar bewuste verwijzingen in de muziek van Bach naar zijn
sterfdatum te gaan zoeken door noten te tellen. Dat zou de ultieme
gekte zijn: het zoeken naar het bestaan van iets waarvan we zojuist hebben
besloten dat het onbestaanbaar is. Wij zijn dus genoodzaakt ook Stelling-2 naar dezelfde prullenbak
te verwijzen waarin Stelling-1 zojuist is beland. De juistheid van de
gebruikte onderzoeksmethode (de 'methode-Rozenkruis') waarmee de onware
Stellingen-1&2 moeten worden bewezen is nu niet meer van belang. Wij
zullen Stelling-3 in dit artikel nu aan een kritisch
onderzoek onderwerpen.
Een van de meest curieuze aspecten van het boek Bach en het getal is dat er
geen enkele kritische gedachte wordt gewijd aan
het axioma dat Bach zijn exacte sterfdatum kende - een axioma waarop een belangrijk deel van vH&K's
'onderzoek' is gebaseerd. Nu sluit de logica niet uit dat je op grond van onjuiste premissen via
onjuiste redeneringen tot prachtige en soms zelfs juiste conclusies kunt komen. Onlogisch
nadenken kan ook tot hoogst kunstzinnige resultaten leiden. Immers, verhalen
hoeven helemaal niet waar te zijn, als ze maar mooi zijn. En wat staan er
veel mooie verhalen in Bach en het getal. Daarom gaan we nog even door met
het 'Bach-onderzoek' van vH&K.
De schrijvers hebben de volledige levensdagen van J.S.Bach geteld.
Het gaat daarbij (en let nu even goed op) om al
zijn levensdagen min twee. Waarom twee dagen minder? Ik citeer de overweging van vH&K
(p.180): De geboortedag en de sterfdag zelf zijn niet meegeteld, omdat het
precieze moment waarop Bach geboren is, niet bekend is. Het aantal levensdagen van Bach
min twee
(ik zal het niet narekenen, maar ik ga er nu maar even van uit dat vH&K zich niet in de schrikkeljaren
hebben vergist) is 23869.
En dan komt wat ik beschouw als een van de absolute climaxen van het boek.
VH&K hebben
de
getallen van Bach's naam met elkaar vermenigvuldigd. En nu even niet J.S.Bach,
maar even wel Johann (=58) maal Sebastian (86) maal Bach (14). Dus 58×86×14=
... ? Je raadt het
al: 69832.
(Gebruik om het na te rekenen het Latijnse alfabet met 24
letters, waarbij i=j en u=v). In deze 2 getallen zien VH&K een prachtige
symmetrie. Met het cijfer 69 in het midden zijn de laatste 3 cijfers (832)
van het getal
van Bach's 'naamsvermenigvuldiging' de kreeft (hetzelfde
achterstevoren gelezen) van de eerste 3 cijfers (238) van de som van zijn levensdagen (nog steeds min twee):
levensdagen min twee
2 3 8 6 9
6 9 8 3 2 'naamsvermenigvuldiging'
Wie wunderbarlich! Uit deze kosmische samenhang kan een tweede conclusie
worden getrokken, iets waar Kees van Houten en Marinus
Kasbergen helaas niet over schrijven. Lees en huiver. Een van deze twee conclusies A en B is juist.
Of A is juist. Toen de ouders van Bach in 1685
hun pasgeboren zoontje Johann Sebastian noemden legden ze daarmee
gezien de 'naamsvermenigvuldiging' het aantal levensdagen (min 2) en daarmee de sterfdatum van hun lieveling
vast. Hadden die onwetende ouders het knaapje Amadeus Béla
Carl Dismas Emanuel Franz Igor George Hans Johann Christian Ludwig
Maurice
Wolfgang Philip Richard Sebastian Zoltán Bach genoemd dan was hij nu nog in leven geweest.
U, geachte lezer, kunt zelf door 'naamsvermenigvuldiging' het aantal
levensdagen (min 2) en daarmee de sterfdatum van
A.B.C.D.E.F.G.H.J.L.M.W.P.R.S.Z.Bach uitrekenen.
Of B
is juist.
Die arme ouders hadden gezien het feit dat de sterfdatum van het knulletje
al vastlag en door 'naamsvermenig-vuldiging' moest worden gerelateerd
aan zijn levensdagen (min twee) geen andere voornaamkeuze dan Johan
Sebastiann.
Wat een verrukkelijke Spielerei met letters en getallen. De ene onwaarheid
genereert het volgende
mysterie. Ik moet me in mijn lof der zotheid helaas beperken tot nog één
laatste 'onderzoeksfragment' van vH&K: zij ontdekten Bach's handtekening
in een stukje Johannes-Passion. De rekenmethode bij dit 'onderzoek' is dezelfde als die
werd gebruikt bij het vaststellen van Bach's onvolledige levensdagen
(alle levensdagen min twee). Uit het volgende
onvolledige recitatief (het is een fragment waaruit nota bene de woorden van
Jezus, de belangrijkste persoon in de JP, zijn weggelaten) werden namelijk de noten geteld
(p.150):
Evangelist
Als er aber solches redete,
9 = J
gab der Diener einer, die dabei stunden, Jesu einen
Bakkenstreich
18 = S
und sprach:
2 = B
Diener
'Solltest du dem Hohenpriester also antworten?'
13 = ac
Evangelist
Jesu aber antwortete:
8 = h
We laten voor het gemak de volgende kritische vragen
onbesproken:
Waarom juist dit recitatief dat bovendien onvolledig
geciteerd is?
Hoe zit het met Bach's handtekening in alle andere mogelijke
onvolledige recitatieven in de J.P.?
Waarom stelde Bach het op prijs om een onvolledig recitatief van zijn
handtekening te voorzien?
Is Bach's handtekening ook te vinden in onvolledige aria's
en onvolledigekoorgedeelten uit de J.P.?
Is Bach's handtekening ook te vinden in onvolledige
fragmenten uit zijn andere composities?
Laten we voorop stellen dat er geen enkele reden is om te betwijfelen dat Bach zijn handtekening
soms vrijwel verborgen toevoegde aan
zijn composities of gedeelten daarvan. Op schilderijen uit
die tijd zie je soms de schilder, voor de oplettende waarnemer onopvallend afgebeeld als een
gezicht op een klein spiegeltje aan de wand. Het is natuurlijk op grond van
elke wetenschappelijke onderzoeksmethodiek onaanvaardbaar om te zoeken naar Bach's
handtekening in een onvolledig gedeelte van een deel van een compositie.
De reden om dit 'onderzoek' toch nog verder te bespreken
is de grove muzikale blinde vlek die de blik van vH&K heeft verduisterd
toen ze weer iets wilden bewijzen dat onaannemelijk is.
Een van de meest karakteristieke kenmerken
van het recitatief is de syllabisch schrijfwijze:
1 lettergreep krijgt van de componist 1 noot (ik
schat dat alle recitatieven voor ca.99%
syllabisch zijn). Daarom zal bij elke recitatief-componist de kans dat
het aantal recitatiefnoten gelijk
is aan het
aantal lettergrepen van de tekst ca. 99%
zijn. Bach gebruikt alleen in uitzonderlijke
situaties (ca.1%) in recitatieven een melisme (meer noten op een lettergreep).
Iedere andere barokke componist zou
voor dezelfde tekst in een recitatief evenveel noten gebruiken als Bach.
Het omzetten van het aantal noten in letters in zo'n recitatief van een
andere componist zou (met een kans van ca.99%) J.S.Bach op moeten leveren.
Het aantal in het bovenstaande onvolledige recitatief gebruikte noten was
daarom helemaal geen vrije keuze van Bach
maar lag gezien de syllabische recitatiefstijl al vast in de Duitse bijbelvertaling!
Wij werpen de onjuiste suggestie dat J.S.Bach zijn naam heeft verstopt in dit
onvolledige fragment
dan ook in de prullenbak der foutieve gevolgtrekkingen. Wij kunnen
wel concluderen dat Luther door het bedoelde tekstfragment in het Duits te
vertalen met
gebruikmaking van 50 lettergrepen hij het aantal noten dat Bach
en zijn tijdgenoten zouden gebruiken met een kans van ca.99% heeft bepaald.
Wie wunderbarlich! Wij komen een tweede kosmische samenhang op het spoor. Gebruikmakend van de esoterische
uitlegkunde van vH&K zien we een mysterie, veel groter dan in Bach en het getal ooit werd vermoed.
Bij het vastleggen van het Nieuwe Testament in het Grieks
was kennelijk voorbeschikt dat Luther bijna 1500 jaar later
de bijbel zodanig in het Duits zou vertalen dat Bach 150 jaar later een
tekst-fragment wel zodanig moest toonzetten dat daardoor ongeveer 250 jaar later vH&K op een
dwaalspoor konden geraken!
Het is mij niet bekend of Martin Luther (1483-1546) bij het maken van zijn
bijbelvertaling bewust rekening gehouden heeft met de komst van J.S.Bach
(1685-1750), maar het lijkt me zinvol dat vH&K dat 'wetenschappelijk' gaan onderzoeken en
hun bevindingen wederom publiceren bij De Walburg Pers, met steun van het
Prins Bernhard Fonds.