Georg Phillip Telemann, Die Hirten bei der Krippe zu Betlehem, TWV1:797 (1759).
Telemann.| 1. Koraal. O Jesu parvule, nach dir ist mir so weh1, tröst mir mein Gemüte, o puer optime, durch alle deine Güte, o princeps gloriae, trahe me post te2. O Patris caritas, o nati lenitas, wärn wir all´ verdorben per nostra crimina3, so hat er uns verworben coelorum gaudia, eia wärn wir da, eia wärn wir da. | Koraal. O klein Jezuskindje, ik verlang naar jou met smart, troost mijn gemoed, o voortreffelijk kind, door middel van al je goedheid, o glorierijke vorst, trek mij mee achter je aan (naar de hemel). O liefde van de Vader, o mildheid van de Zoon, al waren wij allen verdorven door onze schuld dan heeft hij voor ons verworven de hemelse vreugde, eia, hoe graag waren wij daar, eia, hoe graag waren wij daar. |
| Tekst en muziek: Neu=vermehrtes Hamburgisches Gesang=Buch ... Hamburg. ...Anno 1716. O Jesu parvule en O Patris caritas zijn de 2e en 3e strofe van het bekende kerstlied In dulci jubilo dat al voor de reformatie (in de 14e eeuw) bestond en waar diverse Duitse en Middelnederlandse tekstvarianten van bestaan. De versie die Telemann ontleende aan het Hamburgisches Gesang=Buch is weer afkomstig uit de Geystliche Lieder, ofwel het Babstsche Gesangbuch (1545). Voetnoten. 1. O Jesu parvule, nach dir ist mir so weh Een bijzonder fenomeen in diverse laatmiddeleeuwse liederen is de rijmende afwisseling van Latijnse en Duitse zinnen, die mengtaal wordt genoemd. Men neemt aan dat het genre mengtaallied ontstond toen kerkliederen in de late middeleeuwen buiten de kerk een eigen ontwikkeling doormaakten als volkslied, waarbij de oorspronkelijk Latijnse teksten in toenemende mate werden voorzien van interpolaties in de volkstaal. 2. trahe me post te. Deze cryptische woorden zijn het restant van een veel langere zin, zoals een veel oudere (15e eeuwse) tekstversie verduidelijkt: O puer optime, Trahe me post te, trahe me post te, Al in dijns vaders rike, o princeps gloriae. O uitverkoren kind, / trek mij mee (achter je aan), / tot in het rijk van je vader, / o glorierijke prins. bronvermelding 3. wärn wir all´ verdorben / per nostra crimina, / so hat er uns verworben / coelorum gaudia, Een verwijzing naar de erfzonde (nostra crimina) die de mens achtervolgt sinds de zondeval en zijn verdrijving uit het paradijs. Het kerstkind kan ons niet naar de hemel voeren: trahe me post te is een verlangen dat vooruit wijst naar Pasen. De hemelse vreugde (coelorum gaudia) zal ons pas ten deel vallen als Christus die door zijn kruisdood heeft verworben. | |
| 2. Hirtenlied. Hier schläft es -o wie süß! - und lächelt in dem Schlafe, das holde Kind1. Hier schläft das Kind vom Stamm des Hirten David2. Hier schläft auf weichem Klee, auf frisch gemähten Blumen3 der Hirten Gott. Ja, ja, der Hirten Gott! Bald wird man Ströme Milch4a auf allen Auen sehen, Wo Lämmer mit den Müttern gehen5. Die Felsen gießen Öl herab. Die gold'nen Ernten brechen Aus ungepflügter Erd' hervor6. Aus hohlen Weiden an den Bächen Rinnt Honig4b in die Fluth. Wenn Tabor7 sich und Hermon7 sich In neuen Blüthen hüllen, Trägt Karmel7 dort sein Haupt von Früchten schwer empor. Der Treiber bindet seine Füllen An einen Weinbeerbaum, Und wäschet seines Kleides Gaum In Traubenblut8. | 2. Herderslied. Hier slaapt het - o hoe zoet! - en het glimlacht in zijn slaap, het lieflijke kind. Hier slaapt het kind dat afstamt van de herder David. Hij slaapt op een mals klaverbed, op vers gemaaide bloemen, de god van de herders. Ja, ja, de god van de herders. Spoedig zal men stromen melk op alle weiden zien, waarop lammetjes met hun moeder lopen. Van de rotsen stroomt olie. Plotseling komen uit ongeploegde aarde De gouden graanoogsten tevoorschijn. Uit onbegroeide (lett. lege) weiden druipt honing in de beek. Als de Tabor en de Hermon zich in nieuwe bloempracht hullen heeft de Karmel moeite zijn hoofd zwaar van de vruchten omhoog te houden. De (ezel)drijver bindt zijn veulen aan een wijnstok, en wast zijn mantel in het bloed van de druiven. |
| Tekst. De tekst zoomt maar even in op de kribbe maar onze aandacht wordt meteen daarna gericht op het arcadische landschap waarin Jezus de god van de herders is. 1. und lächelt in dem Schlafe, das holde Kind Dat het kind glimlacht is een niet-bijbels detail, mogelijk ontleend aan Vergilius' Ecloga IV: | |
|
Wachse nun, kleiner Knabe,
lächelnd erkenne die Mutter Viel Verdruß und Beschwer zehn Monde lang trug deine Mutter -, Wachse nun, kleiner Knabe; wer nicht gelächelt der Mutter, Den nicht würdigt des Tisches der Gott, des Lagers die Göttin. vertaling: Theodor Haecker (1871 - 1945) |
060 incipe parve puer risu cognoscere
matrem 061 matri longa decem tulerunt fastidia menses 062 incipe parve puer qui non risere parenti [oder: parentes] 063 nec deus hunc mensa dea nec dignata cubili est |
| 2. vom Stamm des Hirten David. David was de jongste zoon van Isaï, ook wel Jesse genoemd. In de bekende profetie van Jesaja stamt de messianistische figuur af van Isaï: Een tak ontspruit aan de stronk van Isaï, een twijg ontbloeit aan zijn wortels. (Jesaja 11: 1). Ook het beeld van de stam / stronk en de twijg / tak, in het bekende kerstlied es ist ein Reis / Ros entsprungen verbasterd tot roos is van deze Jesaja tekst afkomstig. Dat de jonge David een herder was lezen we o.a. in 1 Samuel 16: 19 waarin men tegen Isaï zegt: uw zoon David, die bij de schapen is. De stamboom van Jezus is ook ontleend aan de bijbel: zie stamboom van Jezus. 3. Hier schläft auf weichem Klee, auf frisch gemähten Blumen der Hirten Gott Het arcadische beeld van het kind in een wieg van bloemen vinden we bij Vergilius: | |
| Kosende Blüten wird deine Wiege über dich schütten. | 023 ipsa tibi blandos fundent cunabula flores. |
|
4a. Bald wird man Ströme Milch auf allen Auen sehen
Selbst bringen milchgespannte Euter
nach Hause die Ziegen;
4b. Aus
hohlen Weiden an den Bächen / Rinnt
Honig in die Fluth.
Het
is kan zijn dat Rammler hier een beeld uit de bijbel gebruikt maar
waarschijnlijk was de bron van zijn verbeelding Ovidius:
En op die dag zal het gebeuren, ...
dat de heuvels stromen van melk ... (Joel 4: 18)
Rivieren stroomden rijk aan melk
... en uit de groene steeneik drupte gouden honingvocht.
(Ovidius, Boek I, 111-112)
Maar
het beeld van melk en honing roept
nog een andere associatie op. Het land van melk en honing was voor
het volk Israël dat in Egypte in ballingschap leefde het beloofde
land. God beloofde Mozes dat Hij de
Israëlieten zou bevrijden uit Egypte:
Ik
daal af om mijn volk te bevrijden uit de macht van Egypte, om het
weg te leiden uit dit land .... naar een land van melk en honing
....(Exodus 3: 8).
In de arcadische wereld van paradijselijke overvloed van
Ovidius/Rammler zijn melk en honing ook symbool voor de verlossing
van de mens door Christus.
5. Wo Lämmer mit den
Müttern gehen
Vergilius: Selbst bringen milchgespannte Euter nach Hause die Ziegen
6.
Die
gold'nen Ernten brechen / Aus
ungepflügter Erd' hervor
Een
vrijwel letterlijk Ovidius-citaat met de zinsdelen in een omgekeerde
volgorde:
Spoedig ook schoot er graan uit niet geploegde grond
en droegen nimmer bewerkte akkers
gele halmen, zwaar van tros.
(Ovidius,
Metamorfosen, Boek 1, 109)
7.
Wenn Tabor sich und Hermon sich In neuen Blüthen hüllen,
Tabor, Hermon,
Karmel: bergen in Judea.
Het
land is verdord en verkommerd, de Libanon is verwelkt en schaamt
zich; Saron wordt een woestijn, Basan en Karmel hebben geen loof
meer. (Jesaja 33: 9)
Laat
de woestijn en het dorre land zich verheugen, de wildernis jubelen
en bloeien, weelderig bloeien als de krokus; laat haar uitbundig
juichen en jubelen. Zij wordt getooid met de glorie van de Libanon,
de luister van Karmel en Saron. Dan zal men de glorie van de heer
zien, de luister van onze God. (Jesaja 35: 1-2) 1Aber die Wüste und Einöde wird lustig sein, und das dürre Land wird fröhlich stehen und wird blühen wie die Lilien. 2Sie wird blühen und fröhlich stehen in aller Lust und Freude. Denn die Herrlichkeit des Libanon ist ihr gegeben, der Schmuck Karmels und Sarons. Sie sehen die Herrlichkeit des HERRN, den Schmuck unseres Gottes. (Jesaja 35: 2) 8. Der Treiber bindet seine Füllen An einen Weinbeerbaum, / Und wäschet seines Kleides Gaum In Traubenblut. Een vrijwel letterlijk citaat uit 'de profetie van Jakob' waar in een mogelijke vertaling de Silo wordt voorspeld. Met Schilo (Ned. Silo) wordt een Hebreeuws woord aangeduid uit de onderstaande profetische tekst uit genesis. Men zal er in de meeste bijbelvertalingen vergeefs naar zoeken. Van Juda zal de scepter niet wijken, de staf zal niet verdwijnen tussen zijn voeten, totdat hij verschijnt die hem leiden mag; hem zijn de volken gehoorzaam. (Genesis 49:10) In plaats van 'totdat hij verschijnt die hem leiden mag' kan men ook vertalen ‘totdat Silo komt’, in beide gevallen wordt verwezen naar een toekomstige messiasfiguur. Bron: De Nieuwe Bijbelvertaling. ('Hij, aan wie het toekomt'): Van Juda zal de scepter niet wijken, de staf zal niet verdwijnen tussen zijn voeten, totdat hij verschijnt die hem leiden mag; hem zijn de volken gehoorzaam. Aan de wijnstok bindt hij zijn ezelin, aan de wingerd zijn edele volbloed; hij wast zijn gewaad in de wijn, zijn mantel in het bloed van de druiven. (Genesis 49: 10-11). Rammler laat de eerste zin met de messianistische voorspelling weg en gebruikt alleen de tweede waarin op de overvloed van het messiaanse tijdperk wordt gewezen. |
|
| 3. Aria. Bas. Hirten aus den gold'nen Zeiten1, blast die Flöten2, rührt die Saiten2! Euer Tagewerk sei Freude3a, euer Leben sei Gesang3a! Gott der Hirten, dessen Macht aus der Wüste Sin und Kades3b einen Garten Gottes3b macht, ach! mit welchen Zungen wird dein Lob gesungen? Nimm zum Lobe meine Freude, meine Freude sei mein Dank. | 3. Aria. Bas. Herders uit de Gouden Eeuw, blaas de fluiten, roert de snaren! Jullie dagelijks werk zij vreugde, jullie leven zij gezang! God van de herders, wiens macht uit de woestijn Sin en Kades een Goddelijke Tuin maakt, ach! in welke talen wordt Uw lof bezongen? Ontvang als lof mijn vreugde, mijn vreugde zij mijn dank. |
|
Tekst.
1. gold'nen Zeiten.
Rammler verwijst naar
de Messiavoorspelling uit de 4e Ecloga van Vergilius waarin met
de geboorte van een kind een 'Gouden Eeuw' op aarde aanbreekt.
2. blast die Flöten,
rührt die Saiten!
Fluit en citer worden op vele
plaatsen in de bijbel in een adem
genoemd sinds het eerste bericht over muziek in de bijbel over Jubal, de
stamvader van allen die op de citer en de fluit spelen (Genesis
4: 21).
3a.
Euer
Tagewerk sei Freude, euer
Leben sei Gesang!
3b. Gott
der Hirten, dessen Macht aus
der Wüste Sin und Kades einen
Garten Gottes macht,
Rammler citeert Jesaja die
beschrijft hoe God de woestijn verandert in een tuin van de Heer: De Heer troost Sion, hij biedt troost aan haar ruïnes. Hij maakt haar woestenij aan Eden gelijk, haar wildernis wordt als de tuin van de Heer. Het zal een oord zijn van vreugde en gejuich, waar muziek en lofzang klinken. (Jesaja 51: 3). Ook hier heeft Rammler de volgorde gekruist: eerst de lofzang, dan de metamorfose. Sin und Kades zijn respectievelijk een woestijn en een oase. Muziek. Een da capo-aria (A-B-A) waarbij het B-deel door zijn 2/4 maat, andere muziek en eventueel door een ander tempo contrasteert met het A-deel in 6/4 maat. Het A-deel van de aria heeft de eenvoudige vorm van een coupletlied. De 2 vocale coupletten worden omlijst door vrijwel gelijkluidende instrumentale coupletten (ritornelli). Telemann zorgt voor afwisseling door het blokvormig gebruiken van verwante toonsoorten: ritornello (in A) - eerste vocale couplet (in A) - ritornello (in D) - tweede vocale couplet (in E) - ritornello (in A). Het instrumentale ritornello ontleent zijn levendige antimetrische accenten aan de tekstplaatsing in de zangstem. |
|
| 4. Choral. Zwingt die Saiten in Kithara1 und laßt die süße Musica ganz freudenreich erschallen, daß ich möge mit Jesulein, dem wunderschönsten Bräutgam2 mein, in steter Liebe wallen. Singet, springet3, jubilieret, triumphieret, dankt dem Herren: Gott ist der König der Ehren. | 4. Koraal Plukt de snaren op de citer en laat de zoete muziek vol vreugde klinken, zodat ik bij de kleine Jezus mijn wonderschoonste bruidegom, kan zijn kokend van standvastige liefde. Zing, dans, jubel, triomfeer, dank de Heer, God is de eervolle Koning. |
| Tekst en melodie: Philipp Nicolai, 1599. Zwingt die Saiten in Kithara is de 6e strofe van het bekende kerstlied Wie schön leuchtet der Morgenstern. 1. in Kithara Met de Kithara is bedoeld de harp uit de Statenvertaling, die in modernere bijbelvertalingen vaak wordt aangeduid met citer. De Latijnse wending in Kithara is een letterlijk citaat uit Psalm 150: 3, in de Vulgata-vertaling: laudate eum ...in psalterio et cithara ... De door koraaldichter Nicolai geparafraseerde psalm 150 is door de prominente plaats die daarin wordt toegekend aan muziek en (rei)dans door veel componisten op muziek gezet. 2. Jesulein, dem wunderschönsten Bräutgam mein Zoals we dat kennen uit de Matthäus-Passion wordt Christus omschreven als de bruidegom in het mystieke huwelijk waarin de gelovige ziel de bruid is. Het beeld is afkomstig uit het Hooglied en de Openbaring. 7. springet. Zang en dans waren vroeger nog geen gescheiden disciplines. Zoals ook in psalm 150: looft Hem met handtrom en reidans. | |
| 5. Rezitativ. Alt en bas I. Alt. Der Löwe1a wiegt in seinen Klauen das kleine Lamm1b; aus einer Hürde gehn die Kühe, die Löwinnen und ihre Jungen spielen drinnen: denn Schilo2 weidet, und sein Stab3 is sanft, und seiner Nieren Gurt3 ist Friede. Bas. Die Bogen sind zerbrochen4a, die Wagen4a sind verbrannt4b. Die Schwerter fallen Saaten nieder; des Kriegers Lanze steht und wurzelt in das Land und strebet in die Luft und wird ein Ölbaum wieder: denn Schilo weidet, und sein Stab is sanft, und seiner Nieren Gurt ist Friede. | Recitatief. Alt. De leeuw wiegt het lammetje in zijn klauwen, de koeien verlaten de omheining, waarbinnen de leeuwinnen spelen met hun jongen: de Messias is de herder, zijn staf is zacht, en de gordel om zijn middel is vrede. Bas. de bogen zijn gebroken, de strijdwagens zijn verbrand. De zwaarden vallen als zaad neer de lans van de krijger staat overeind en wortelt in de aarde en streeft omhoog naar de lucht en wordt weer een olijfboom: de Messias is de herder, en zijn staf is zacht, en de gordel om zijn middel is vrede. |
|
Jesaja 11.
Een telg van Isaï. 1. Een tak ontspruit aan de stronk van Isaï, een twijg ontbloeit aan zijn wortels. 2. De geest van de heer rust op hem, een geest van wijsheid en inzicht, een geest van beleid en sterkte, een geest van kennis en ontzag voor de heer. 3. Hij ademt ontzag voor de heer. Hij spreekt geen recht naar uiterlijke schijn en hij doet geen uitspraak op grond van loze geruchten; 4. hij geeft de geringen hun recht en de armen in het land krijgen een eerlijk vonnis. Hij kastijdt de verdrukkers met de roede van zijn mond en de slechte mensen doodt hij met de adem van zijn lippen. 5. Gerechtigheid draagt hij als een gordel om zijn lendenen, en trouw als een gordel om zijn heupen. 6. De wolf en het lam wonen samen, de panter vlijt zich neer naast het bokje, het kalf en de leeuw weiden samen: een kleine jongen kan ze hoeden. 1a & 1b. Der Löwe wiegt in seinen Klauen das kleine Lamm; Eerst een Jesaja parafrase: Dan grazen de wolf en het lam eensgezind, de leeuw eet dan hooi zoals het rund, terwijl de slang zich voeden zal met het stof. Niemand zal nog kwaad doen of onheil stichten ... (Jesaja 65: 25). 2a. denn Schilo weidet. Schilo (Ned. Silo) is een Hebreeuws woord uit de onderstaande profetische genesis-tekst uit. Men zal er in de meeste bijbelvertalingen vergeefs naar zoeken. Van Juda zal de scepter niet wijken, de staf zal niet verdwijnen tussen zijn voeten, totdat hij verschijnt die hem leiden mag; hem zijn de volken gehoorzaam. (Genesis 49:10) In plaats van 'totdat hij verschijnt die hem leiden mag' kan men ook vertalen ‘totdat Silo komt’, in beide gevallen wordt verwezen naar een toekomstige Messiasfiguur. Bron: De Nieuwe Bijbelvertaling. 3. und sein Stab is sanft, und seiner Nieren Gurt ist Friede sein Stab: de herdersstaf was een soort knuppel, een geducht wapen om zich te verdedigen tegen rovers en wilde dieren, maar is hier beschreven als een pacifistisch werktuig. Nieren Gurt, een gordel om het middel (lett. om de nieren) waar men zijn onderkleed mee samenbond, werd gebruikt om het zwaard of geld mee te dragen. In deze vreedzame context moeten we denken aan psalm 23 'De Heer is mijn herder': Want naast mij gaat gij, uw stok en uw staf zij doen mij getroost zijn. Maar ook Jesaja levert een goede match op: Gerechtigheid draagt hij als een gordel om zijn lendenen, en trouw als een gordel om zijn heupen. (Jesaja 11: 5). 4. Die Bogen sind zerbrochen, die Wagen sind verbrannt De beelden zijn afkomstig uit de Messias-voorspelling van de profeet Zacharia, 'De komst van de Messias': Jubel, dochter van Sion, juich, dochter van Jeruzalem! Zie, uw koning komt naar u toe, hij is rechtvaardig en zegevierend; hij is nederig, hij rijdt op een ezel, op een veulen, het jong van een ezelin. Ik vaag de strijdwagens weg uit Efraïm, de paarden uit Jeruzalem; de strijdboog wordt gebroken. Dan kondigt hij vrede aan onder de volkeren, en gaat zijn heerschappij van zee tot zee en van de Rivier tot de grenzen van de aarde. (Zacharia 9: 9-10) die Wagen sind verbrannt Het beeld van het verbranden van krijgstuig vinden we bij Ezechiel. Dan komen de inwoners van Israël uit hun steden en steken de brand in de wapens: schild en rondas, bogen en pijlen, knotsen en speren. Zeven jaar lang stoken zij daarmee hun vuren. Ze hoeven geen hout van de velden te halen of in de bossen te kappen: al die tijd stoken zij hun vuren met die wapens. Ze plunderen hun plunderaars en beroven hun rovers – godsspraak van de Heer god. (Ezechiel 39: 9). |
|
| 6. Duet en koor. Alt. Kehre wieder, holde Friede1! Mache doch die Kreatur wie sie war in Edens Flur2! Ihrer Zwietragt ist sie müde. Bas. Kehre wieder, holde Friede! Komm von deines Gottes Tron, wo du vormals hingeflohn! Unsrer Zwietragt sind wir müde. Koor. Erd' und Himmel sei, wie vor, in des Allerhöchsten Ohr ein Gesang, ein Chor2! | 6. Duet en koor. Alt. Kom terug, nobele vrede! Maak toch de schepselen zoals ze waren in de Hof van Eden. Ze (de vrede) is hun tweedracht moe. Bas. Kom terug, nobele vrede! Kom van de troon van je god waarnaar je ooit bent weggevlucht. Wij zijn onze tweedracht moe.. Koor. Aarde en hemel zij zoals vroeger, in het oor van de Allerhoogste een gezang, een koor! |
|
1. Kehre wieder, holde Friede
De tekst richt zich niet tot God,
maar tot Friede, die als een
18e eeuwse allegorische figuur wordt aangeroepen.
2. Mache doch die Kreatur wie sie war in Edens Flur!
Friede krijgt in de aanvoegende
wijs de hoopvolle wens te horen dat de schepselen (mens
èn dier, het is per slot voor
rekening een pastorale) weer
zoals in het Paradijs vreedzaam
zullen samenleven.
Ja, der HERR tröstet Zion, er tröstet
alle ihre Trümmer und macht ihre Wüste wie Eden und ihr dürres Land wie den
Garten des HERRN, daß man Wonne und Freude darin findet, Dank und Lobgesang. (Jesaja
51: 3). 2. Erd' und Himmel sei, wie vor, in des Allerhöchsten Ohr ein Gesang, ein Chor. |
|
| Zweiter Teil. 7. Koraal. Des dank ihm alle Christenheit für solche große Güte, und bitt'um sein' Barmherzigkeit, daß er uns fort behüte für falscher Lehr und bösem Wahn, da wir ver diesem in gestahn, er woll uns das vergevben. Vater, Sohn und heilger Geist, bitten von dir allermeist, laß uns im Frieden leben. | |
| 8. Recitatief, bas. Die Pestilenz darf ferner nicht in Finsternissen schleichen; der heiße Mittag tötet nicht und sendet keine Seuchen1. Jehova führet2 durch den Himmel und sieht sein seliges Geschlecht. Unschädlich rollt sein eh'ner Wagen2 hoch über unsern Hauptern hin; wir sehen Majestät und sagen: "Im Himmel wird Jehova thronen, und unser Schilo wird bei seinen Hirten wohnen". |
8. Recitatief,
bas. De pest mag voortaan niet door het donker sluipen de hete middag doodt niet meer en zendt geen besmettelijke plagen meer. Jehova beweegt zich door de hemel en beziet zijn zalige geslacht. Onschadelijk rolt zijn vroeger zo vervaarlijke wagen hoog boven onze hoofden voort; we zien de Majesteit en zeggen: "In de hemel zal Jehova tronen, en onze Silo zal bij zijn herders wonen''. |
|
Tekst.
1. Die Pestilenz darf ferner nicht in
Finsternissen schleichen; der heiße
Mittag tötet nicht und sendet keine Seuchen.
Een
groot
Godsvertrouwen spreekt uit Psalm 91, een bescherming tegen alle
ziekten en plagen. Rammlers parafrase en het origineel uit de
Lutherbijbel zijn bijna gelijkluidend:
Seine Wahrheit ist Schirm und Schild,
... daß du nicht erschrecken müssest ...vor der Pestilenz, die
im Finstern schleicht, vor der Seuche, die
im Mittage verderbt. (Psalm 91: 5-6, Luther Bibel, 1545) 2. Jehova führet durch den Himmel ... Unschädlich rollt sein eh'ner Wagen hoch über unsern Hauptern hin; Een vredig beeld van Gods wagen die vredig boven onze hoofden 'rolt', mogelijk ontleend aan Psalm 104 waarin God op de wolkenwagen door de hemel surft: Hij maakt van de wolken zijn wagen en beweegt zich voort op de vleugels van de wind. (Psalm 104: 3). Het Unschädlich duidt op het contrast met vroegere tijden toen Gods strijdwagens (sein eh'ner Wagen) schädlich waren, dood en verderf brachten. Men leze over die strijdwagens in Jesaja en Jeremia. |
|
| 9. Aria, tenor. Schönstes Kind aus Juda Samen, wachse bald1! Das es bald ein Himmel werde, dieses weite Rund der Erde, dein gebenedeites Land. Lobt, ihr Stummen! Hüpft, ihr Lahmen2a, wie die Rehe durch den Wald! Hört ihr Tauben, unsre Lieder! Blinde2b, seht die Schöpfung wieder! Schmerz und Plage sind verbannt3. | 9. Aria, tenor. Allermooiste kind uit Juda's stam, groei snel op! Dat het snel een hemel moge worden, deze ronde wijdte van de aarde, jouw gezegende land. Juicht, stommen! Danst, lammen, als een hert door het woud! Hoort, doven, onze liedern! Blinde, zie de schepping weer! Pijn en ziekte zijn uitgebannen. |
| Tekst. 1. Schönstes Kind aus Juda Samen, wachse bald! Juda is een andere voorvader van Jezus. Een vrijwel gelijkluidende wens wordt twee keer in de Ecloga van Vergilius geuit: | |
| Wachse nun, kleiner Knabe, .... | 060 incipe, parve puer, ... |
|
2a.
Lobt, ihr Stummen! Hüpft, ihr Lahmen, wie die Rehe durch den
Wald!
Alle
beelden zijn afkomstig uit Jesaja 35, maar door Rammler chiastisch (gekruist)
geparafraseerd:
Dan danst de kreupele
als een hert en juicht de tong van de stomme. (Jesaja 35:6)
2b.
Hört ihr Tauben, unsre Lieder! Blinde, seht die Schöpfung
wieder!
Dan worden de ogen van
de blinden geopend en de oren van de doven geopend.
(Jesaja 35: 5)
3. Schmerz und Plage sind
verbannt. Het laatste korte citaat komt uit Jesaja 35 dat we zo goed kennen uit Brahms' Requiem: Die Erlösten des Hernn werden wiederkommen und nach Zion kommen mit Jauchzen; ewige Freude wird über ihrem Haupte sein; Freude und Wonne werden sie ergreifen, und Schmerz und Seufzen wird entfliehen. (Jesaja 35.10). |
|
| 10. Koraal. Wir Christenleut habn itzund1 Freud, weil uns zu Trost ist Gottes Sohn Mensch worden, hat uns er erlöst. Halleluja, gelobt sei Gott! singen wir all aus unsers Herzens Grunde. Denn Gott hat heut gemacht solch Freud, der wir vergessen solln zu keiner Stunde. | 10. Koraal. Wij Christenen zijn nu verblijd omdat tot troost van ons Gods zoon mens geworden is, hij heeft ons verlost. Halleluja, geloofd zij God! zingen wij allen uit de grond van ons hart. Want God heeft ons vandaag zo'n vreugde bereid, dat wij die nooit zullen vergeten. |
| Melodie: 1589; tekst: Kaspar Füger (1592). Telemann gebruikte de eerste en de vijfde strofe van dit lied. 1. itzund Een oude woordvorm met dezelfde betekenis als het huidige jetzt. | |
| 11. Recitatief. Alt. Ach seht! das Kind erwacht. Es strahlt ein Gott aus seinen Augen. Ach, welch ein Gott1! Er tritt auf Magogs2 Bach: Blut klebt an seiner Ferse. Sie stürzen in den Abgrund, die Geister aus der alten Nacht3; der Abgrund schließt sich hinter ihnen: Die Welt ist rein, die Schöpfung lacht. Bas. Nein, keinen Erdensohn, den erstgebornen Gottessohn hat uns in dieser Mitternacht der oberste der Seraphimen, Eloa4, kund gemacht. Wir lagen schaudernd auf dem Boden: Urplötzlich ward es licht5. Ein ganzes Heer verklärter Himmelssöhne6 stand auf der Luft und sang. Vergeß ich dieses Liedes in meinem ganzen Leben: So müsse meine Zunge an meinem Gaumen kleben7. Stimmt an daß Lied der Oberwelt! Damit es unser Held, der neugeborne Heiland, höre. | 11. Recitatief. Alt. Ach zie! het kind ontwaakt. Er straalt een god uit zijn ogen. Ach, welk een god! Hij betreedt de beek van Magog: bloed kleeft aan zijn hielen. Ze storten in de afgrond, de geesten uit de oude nacht; de afgrond sluit zich achter hun: de wereld is rein, de schepping lacht. Bas. Nee, geen zoon van de aarde, (maar) de eerstgeboren zoon van God is ons op dit middernachtelijk uur door de hoogste van de engelen Elohim, aangekondigd. We lagen huiverend op de grond: plotseling was het licht. Een heel leger van van stralende stond in de lucht te zingen. Als ik dit lied ooit in mijn leven vergeet: dan moet mijn tong aan mijn verhemelte kleven. Heft het lied aan van de hogere wereld! Opdat onze held, de zojuist geboren heiland, het hoort. |
| Tekst. 1. Es strahlt ein Gott aus seinen Augen. Ach, welch ein Gott. Terwijl met kerstmis in veel teksten de nadruk wordt gelegd op de menswording van God wordt het kind hier als een antieke held vergoddelijkt. Ecloga IV van Vergilius is misschien de bron: | |
|
Er wird Götterleben empfangen, er wird mit den Göttern sehen die Helden gemischt, wird selbst unter ihnen erscheinen, lenken wird er die befriedete Welt mit den Kräften des Vaters. |
ille deum vitam accipiet divisque videbit permixtos heroas et ipse videbitur illis pacatumque reget patriis virtutibus orbem |
|
2. Er tritt auf Magogs Bach: Blut klebt an seiner Ferse.
De persoon Gog (vaak samen genoemd met het land Magog) is een duistere heidense macht die als antichrist, als
godvijandige macht het uit ballingschap teruggekeerde Israël
aanvalt. Ezechiël beschrijft in
hoofdstuk 38&39 hoe de Heer definitief afrekent met Gog. Dat laatste
is een argument om God de Vader te beschouwen als de persoon die Rammler
bedoelt met Er tritt auf Magogs Bach.
3. die
Geister aus der alten Nacht
Een verwijzing naar duistere machten als Gog uit heidense (alt=oudtestamentisch?) tijden.
4. Eloa
Met Eloa
is bedoeld het Hebreeuwse woord Elohim
dat in het OT zeer veelvuldig wordt gebruikt, volgens huidig inzicht in
de betekenis van God/goden. Hier kennelijk bedoeld als de engelfiguur.
5.Wir
lagen schaudernd auf dem Boden:
Urplötzlich ward es licht.
Aan het einde van zijn betoog komt Rammler uit bij het bekende
kerstverhaal uit het Lucas-evangelie.
Opeens stond er een
engel van de Heer bij hen en werden ze omgeven door het stralende
licht van de Heer, zodat ze hevig schrokken. (Lucas 2:
9).
Wir
lagen:
we moeten de bas als een herder
zien.
6.
Ein
ganzes Heer verklärter Himmelssöhne stand
auf der Luft und sang.
Een aankondiging van het slotkoor, de engelenzang uit Lucas:
Und alsbald war da bei dem
Engel die Menge der himmlischen Heerscharen, die lobten Gott
und
sprachen: Ehre sei Gott in der Höhe und Friede auf Erden bei den Menschen seines Wohlgefallens. (Lucas 2:13-14) 7. Vergeß ich dieses Liedes in meinem ganzen Leben: So müsse meine Zunge an meinem Gaumen kleben. Meine Zunge soll an meinem Gaumen kleben, wenn ich deiner nicht gedenke, wenn ich nicht lasse Jerusalem meine höchste Freude sein. (Psalm 137: 6). Voor moderne luisteraars wordt de handeling en daarmee ook het tempo van de compositie vertraagd met een moralistisch psalmcitaat: |
|
| 12. Koor. Ehre sei Gott in der Höhe. Friede auf Erden und alle Menschen einWohlgefallen! | |
| Het koor zingt hier het Gloria in excelsis deo, de engelenzang uit het Lucas-evangelie. | |
Jesaja 11.
Een telg van Isaï.
1 Een tak ontspruit aan de stronk van Isaï,
een twijg ontbloeit aan zijn wortels.
2 De geest van de heer rust op hem,
een geest van wijsheid en inzicht,
een geest van beleid en sterkte,
een geest van kennis en ontzag voor de heer.
3 Hij ademt ontzag voor de heer.
Hij spreekt geen recht naar uiterlijke schijn
en hij doet geen uitspraak op grond van loze geruchten;
4 hij geeft de geringen hun recht
en de armen in het land krijgen een eerlijk vonnis.
Hij kastijdt de verdrukkers met de roede van zijn mond
en de slechte mensen doodt hij met de adem van zijn lippen.
5 Gerechtigheid draagt hij als een gordel om zijn lendenen,
en trouw als een gordel om zijn heupen.
6 De wolf en het lam wonen samen,
de panter vlijt zich neer naast het bokje,
het kalf en de leeuw weiden samen:
een kleine jongen kan ze hoeden.
Ovidius' Metamorphosen (Liber Primus) Vier Tijdperken De gouden tijd, het eerst gezaaid, heeft zonder
Psalm 91