Verslag van een VU-Orkest repetitie, 29 oktober
2008, door Anita Mussche.
“Zullen we even stemmen?” De strakke toon van de hoboïste geeft
onmiddellijk een concertzaalgevoel, ook al zitten de orkestleden met
hun stoelen verspreid tussen de rekwisieten van de lopende
theatervoorstelling in de Griffioenzaal. Het VU-Orkest repeteert
vandaag voor de derde keer het Frans-Spaanse programma dat het eind
februari uit gaat voeren. Temperamentvolle muziek: Bizet, De Falla,
Dukas, Milhaud.
Bijna
tachtig studenten bevolken dit orkest, een mengeling van stevige
amateurmusici en semi-professionele conservatoriumstudenten. De
eerste indruk is dan ook vooral ‘jong’, en levendig. En aan het
begin van de repetitie nog niet zo erg gedisciplineerd. Dirigent
Daan Admiraal zet er daarom meteen de sokken in met
Scaramouche
van Milhaud: “Ik geef drie en vier en dan spelen we.” Het gelach en
geklets neemt af. Men rommelt nog snel met bladmuziek, mondstukken
en strijkstokken. Admiraal dirigeert zonder stokje, knippend met
zijn vingers als het niet precies genoeg gaat, klappend als het
tempo inzakt. Slagtechnisch is dit programma een uitdaging voor elke
dirigent, vindt hij, door alle complexe maat- en tempowisselingen.
“Snelheid in die zestienden”, roept Admiraal, en “nee, het ritme van
de rumba is één tsjak tsjak twee tsjak tsjak drie tsjak."
Hoewel
nog niet allemaal ervaren in de rumba weten deze jonge musici van
wanten. Ephraim Feves, violist sinds zijn vierde, speelt nu
vijf jaar bij het orkest. “Voor een amateurorkest hebben we echt een
hoog niveau”, weet hij. Een kwestie van hard werken, weten de
orkestleden. Dat is te zien in de Griffioenzaal, waar Admiraal de
strijkers en blazers telkens vraagt het nog eens te proberen. Hij
beschrijft de klank die hij zoekt, hoe die strijkstok moet
stuiteren, waar je wel of niet moet ademen. “Het is niet
pakkedakkedangdang maar tukkedukkedundun”, legt hij uit aan de
violisten, die er niet raar van opkijken. De musici roemen zijn
aanpak: “De dirigent maakt het orkest bijzonder”, zegt Feves, “Daan
weet met anecdotes, beeldspraak en humor precies duidelijk te maken
wat hij bedoelt”. Daar is clarinettist Bas van der Sterren het
helemaal mee eens. Als conservatoriumstudent is hij
niet zenuwachtig voor zijn solo’s.
‘Gezellig en lekker ontspannen’, noemt hij het orkest. Hoboïste
Jacqueline Janse kijkt hem met grote ogen aan. Ze speelt hier pas
sinds september: “Ontspannen? Ik vind het echt vet moeilijk! Er
worden hier wel eisen aan je gesteld.” Dat bevestigt hun dirigent:
“Voor de noten bezield kunnen worden moet je ze wel kennen. Als je
echt goed wilt spelen moet je daar hard voor werken. Tijdens de
repetities werken we alle muzikale ongerechtigheden weg.” Goed voor
de motivatie, vindt violiste Marthe Becker: “In elk stuk zitten wel
moeilijke dingen, maar daardoor krijg je juist zin om er tijd in te
steken.” “Hij haalt echt het beste uit ons”, prijst Janse.
De
liefde is geheel wederzijds. Hoe lekkerder het loopt, hoe breder de
grijns op Admiraals gezicht. “Wat me erg aanspreekt en vaak ontroert
is de onbevangenheid en de ontvankelijkheid van deze jonge mensen
voor muzikale schoonheid”, zegt hij later. “En die levenslust en
jeugdige vrolijkheid! Er wordt tijdens repetities veel gelachen.”
Het
resultaat is ernaar. Naarmate de avond vordert, swingt het steeds
meer in de Griffioenzaal. Dit is kleurrijke, ritmische, vitale,
aanstekelijke muziek, vindt Admiraal, en moeilijk om bij stil te
blijven zitten. Zelf kan hij in ieder geval niet stil bij blijven
staan, als het orkest de tanden zet in de lastige Spaanse ritmes van
Bizet’s Carmen en De driekanten steek van De Falla. De
Tovenaarsleerling van Dukas klinkt erg bekend. “Uit de Disneyfilm
Fantasia”, weten de studenten. En
Scaramouche?
Dat mag vooral niet te klassiek lijken, vindt de dirigent: “Dit is
geen Brahms! Dit moet met energie, niet met diep gevoel. Dit is
lichte muziek. Kan het iets grappiger?”